Armoede, barmhartigheid en Christus navolgen. Dat was het abc van de katholieke reformator Franciscus van Assisi, die acht eeuwen geleden overleed.

Franciscus tussen de vogels, een schilderij van Francesco Coppola Castaldo uit 1878. beeld Museum Catharijneconvent

De monnik Giulio Cesareo, beheerder van de kerk, zei dat de nogal „beschadigde” staat van de botten op een symbolische manier laat zien dat Franciscus zich „volledig” aan zijn levenswerk wijdde.
Dat levenswerk laat zich samenvatten in de woorden bekering, armoede, barmhartigheid en de navolging van Christus.
Pret maken
Toen Franciscus jong was, zag het er bepaald niet naar uit dat hij zijn leven in dienst van het Evangelie zou stellen. De in 1181 of 1182 geboren zoon van een rijke lakenkoopman uit het Umbrische stadje Assisi „gooide het geld over de balk en alles wat hij verdiende, ging op aan eten en pret maken met zijn vrienden”, schreef zijn biograaf Thomas van Celano in de dertiende eeuw. „En zo bewoog hij zich zelfbewust en grootmoedig voort door de straten van Babylon. (…) Totdat de Heere uit de hemelen op hem nederzag en omwille van Zijn Naam Zijn toorn bedwong.”

Franciscus, zondaar en heilige
De bekering van Franciscus is nog altijd wat in nevelen gehuld. Er was niet één moment of gebeurtenis waardoor Franciscus veranderde van een jeugdige losbol, „geïnfecteerd door het gif van de oude slang”, in een overtuigd zondaar. Daar was een ziekte voor nodig, waardoor Franciscus de wereld opeens door andere ogen ging zien. Maar ook een krijgsgevangenschap in Perugia, een ontmoeting met melaatsen en een preek over Mattheüs 10 speelden een rol in zijn bekering.
Kruisbeeld
In het voorjaar van 1206 bezocht Franciscus het kerkje van San Damiano, een kwartiertje lopen van Assisi. Daar knielde hij voor een kruisbeeld neer. Volgens de overlevering hoorde hij een stem zeggen: „Franciscus, zie je niet dat Mijn huis helemaal in verval raakt? Vooruit, ga het voor Mij herstellen.” Franciscus, die dacht dat het slechts om de restauratie van San Damiano ging, verkocht alles wat hij had en herstelde het kerkje.
Al snel volgden andere kerkjes, zoals in het nabijgelegen Portiuncula. Franciscus kreeg hulp van mensen die zich aangetrokken voelden tot zijn werk. In Portiuncula hoorde hij van een priester dat de leerlingen van Christus geen goud, zilver of geld mochten bezitten, maar dat ze het Koninkrijk van God moesten verkondigen en oproepen tot bekering. Voortaan bepaalde Mattheüs 10 zijn leven.
Franciscus en zijn metgezellen noemden zich minderbroeders, om daarmee hun nederigheid uit te drukken. „Wij moeten dus door de wereld trekken en de mensen door ons voorbeeld en onze woorden vermanen boete te doen voor hun zonden en Zijn geboden in acht te nemen”, zei Franciscus.
Franciscus en zijn broeders kregen in 1209 toestemming van de paus voor hun zendingswerk. Hoewel Franciscus eigenlijk geen orde wilde stichten, moest hij toch een leefregel opstellen. Die bestond uit acht voorschriften: gehoorzaamheid, armoede, kuisheid, nederigheid, eensgezindheid, gebed, arbeid en prediking.
Zonnelied
Twee jaar voor zijn dood verbleef Franciscus ernstig ziek in het klooster van San Damiano. Hij kampte met een oogkwaal, mogelijk opgelopen tijdens zijn reis naar Egypte. Daar had hij zich aangesloten bij de kruisvaarders, in de hoop sultan al-Kamil te overtuigen van de waarheid van het christelijk geloof. De moslimheerser ontving hem vriendelijk, maar bekeerde zich niet.

In een kloostervertrek schreef Franciscus zijn bekendste gedicht: het Zonnelied.

„Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
en geen mens is waardig Uw Naam te noemen.
Wees geprezen, mijn Heer, door al uw schepselen,
vooral door meneer broeder zon
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt met grote pracht;
van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.
(…)”
Aan het einde van het lied waarschuwde Franciscus: „Wee hen die in doodzonde sterven.” Om te eindigen met de oproep: „Prijs en zegen mijn Heer, en dank Hem in grote nederigheid.”
Franciscus stierf op 3 oktober 1226. Hij werd begraven in de San Giorgio, de kerk van zijn jeugd. Binnen twee jaar werd Franciscus heilig verklaard en begon de bouw van een nieuwe kerk, de San Francesco. Daar werd de katholieke boeteprediker bijgezet, na een leven waarin hij opriep tot bekering, armoede, barmhartigheid en navolging van Christus.
Zo zag Franciscus eruit
„Franciscus was een vlot spreker, zag er vrolijk en vriendelijk uit, en sprak vrijmoedig, maar zei nooit een onvertogen woord. Hij was klein van postuur en had een niet al te groot rond hoofd met een langwerpig gezicht, een plat, laag voorhoofd, kleine donkere ogen, donker haar, rechte wenkbrauwen, een niet al te grote rechte neus, rechte oortjes en vlakke slapen.

Zijn tong was vredelievend, maar hij kon ook scherp uit de hoek komen. Hij had een krachtige, heldere stem, regelmatige, witte tanden, dunne lippen, een zwarte, niet al te volle baard, een smalle hals, rechte schouders, korte armen, tengere handen met lange vingers, dunne benen en kleine voeten, een tere huid waar weinig vet aan zat. Hij droeg ruige kleding, had weinig slaap nodig en was buitengewoon vrijgevig.”
Thomas van Celano, 1228-1229
Dierendag dankzij Franciscus
Franciscus overleed op zaterdagavond 3 oktober 1226. Omdat de datum toen nog om zes uur ’s avonds versprong, wordt zijn sterfdag op 4 oktober herdacht. Sinds 1930 is het in Nederland op die datum ook Dierendag. Franciscus bekommerde zich om alle schepselen van God.

Thomas van Celano schreef in 1228: „Franciscus kwam bij een plek waar een grote menigte vogels van diverse pluimage bijeen was. Er waren duiven bij en kraaien en vogels die in de volkstaal kauwtjes heten.”
Daarna vroeg Franciscus hun vriendelijk eens naar het Woord van God te luisteren. „Mijn broeders en zusters vogels”, zei hij, „grote lof moeten jullie brengen aan jullie Schepper en Hem altijd van harte beminnen. Hij geeft jullie immers veren om je te kleden, vleugels om te vliegen en alles wat jullie maar nodig hebben. Zonder dat jullie iets hoeven te doen, beschermt Hij jullie en regelt Hij alles voor jullie.”
„Franciscus was niet zomaar een natuurliefhebber”
Nederland seculariseert en kloosters vergrijzen. Er zijn nog ruim honderd franciscaanse broeders in Nederland overgebleven, terwijl de belangstelling voor het gedachtegoed van Franciscus toeneemt. „Ik zou het niet zomaar een aflopende zaak noemen”, zegt dr. Krijn Pansters, hoofddocent aan de Tilburg School of Catholic Theology (TST) en coördinator van het Franciscaans Studiecentrum. Hij is medeorganisator van het symposium ”Franciscus leeft! 1226-2026”, dat op 16 oktober in Utrecht is gehouden.

Door zich Franciscus te noemen, vestigde de vorige paus opnieuw de aandacht op de dertiende-eeuwse geestelijke. „Niet alleen door zijn naamkeuze, maar ook door encyclieken als Laudato si’ en Fratelli tutti. Daardoor werd Franciscus van Assisi opnieuw zichtbaar in het wereldwijde debat over klimaat, duurzaamheid en menselijke verbondenheid.”
Daarnaast had Franciscus oog voor armen en kwetsbaren. „Hij zocht de melaatsen op en volgens de legenden omarmde hij hen, terwijl contact met melaatsen in de middeleeuwen als levensgevaarlijk gold. Voor hem waren juist de zwaksten Christus Zelf. Die symbolische gebaren laten zien dat geloof niet alleen in woorden, maar vooral in daden gestalte krijgt.”
In de franciscaanse spiritualiteit staat de navolging van Christus voorop, aldus dr. Pansters. „Franciscus was bovenal een liefhebber van Christus. Daarom is het te beperkt om hem alleen als natuurliefhebber te zien: zijn verhouding tot de natuur moet altijd worden begrepen vanuit zijn verhouding tot God. Daaruit vloeien dienstbaarheid, nederigheid en zorg voor medeschepselen voort. Daarom begaf Franciscus zich onder de mensen. Zijn boodschap bleek in de eerste plaats uit kleine, dagelijkse handelingen. Pas daarna, als het passend was, kon die ook met woorden worden verkondigd.”
Toch kreeg de prediking binnen de franciscaanse beweging al snel een belangrijke plaats. „Kort na de dood van Franciscus in 1226 waren er al duizenden broeders in Europa die het Woord van God verkondigden. Maar niet iedereen hoefde te preken: sommigen zorgden voor mensen in nood, anderen gingen studeren of werden docent. Prediking was dus geen doel op zich, maar kwam voort uit dienstbaarheid en liefde voor God.”
Armoede was een belangrijk onderdeel van die prediking. Wie weinig bezat, kon zich geestelijk beter op God richten, vond Franciscus. „Dat verklaart ook zijn keuze voor eenvoudige kleding. Zelf maakte hij een habijt van grauwe wol en gebruikte stof. Franciscus keerde zich daarmee symbolisch af van de wereld van zijn vader, een succesvolle stoffenkoopman, en koos voor een andere Vader: God in de hemel.”
De verhouding tussen franciscanen en protestanten was vanaf de zestiende eeuw „vanzelfsprekend gespannen”, stelt Pansters. Franciscanen waren „roomse jongens” en preekten en schreven ook tegen het protestantisme. Toch waren zij minder het gezicht van de Contrareformatie dan bijvoorbeeld de jezuïeten. „Franciscanen en protestanten waren zeker geen vrienden, denk bijvoorbeeld aan de martelaren van Gorcum.”
Pansters ziet de toekomst van de huidige franciscaanse beweging vooral in het voortleven van haar spiritualiteit. „Franciscus is nog steeds een krachtig beeld en een inspiratiebron. Studiedagen en lezingen trekken veel belangstellenden, ook mensen die vanuit actuele thema’s als vrede, hoop, ecologie en politiek naar de franciscaanse traditie kijken. Welke institutionele vorm dat in de toekomst krijgt, weet ik niet. Maar Franciscus heeft acht eeuwen voortgeleefd in de hoofden en harten van mensen. Waarom zou dat niet nog eens 800 jaar kunnen?”
Bron: ND.nl

























































